Een zwoele zomeravond op het terras van Parkzicht, toen nog een restaurant met sterrenambities, waar de voortreffelijke Danny Gonzales maître was. Bloedheet, alle tafels bezet en de bladerkronen van de grote bomen rond Parkzicht feeëriek gepavoiseerd, zoals dat in de dictees van mijn jeugd heette. Bij het voorgerecht, terwijl we een peperige grüner veltliner drinken, barst een wolkbreuk los van oud-testamentische proporties.
Wijnglazen lopen vol, borden veranderen in plassen slootwater en de gasten vluchten naar parasols die al beginnen door te lekken. Een grote evacuatie, obers die af en aan rennen met servies en bestek en paraplu's.
Vijf minuten later zit iedereen binnen. Mijn tafelgenote heeft blosjes van opwinding en ik kijk bewonderend naar de obers die opnieuw, en quasi-onverstoorbaar, aan het uitserveren zijn. Ik sta op het punt om te vertellen dat dit nou typisch Rotterdams is, koel blijven als zoiets gebeurt, als het regenwater uit de wandlampen begint te spuiten.
Toen we aan het einde van de avond door het park naar huis liepen, hadden we goed gegeten en suisde de opwinding plezierig na in onze hoofden.
Fijn gezelschap en goed eten overleeft veel.
Maar soms is de ramp het gezelschap, of het eten, en als je pech hebt allebei.
In Londen was ik gast ten huize van het hoofd van de letterenfaculteit van de universiteit waar ik writer in residence was.
De gastvrouw werd door twijfel besprongen
Omdat voor Engelsen een diner die titel niet waardig is zonder 'roast' had de gastvrouw een 'organic' lamsbout meegenomen uit het dorp waar zij en haar man een cottage hadden. Op het laatste moment, de bout al in oven, was zij door twijfel besprongen. Was de schrijver geen vegetariër? (Nee. Maar een andere gast bleek wel ideologisch veganist.)
Het lam verdween in de vuilnisemmer, een pak diepvriesvis werd geopend en er werd een paniekschotel bedacht die uit vis, aardappels en broccoli uit de oven bestond, het soort hutseklusgerecht dat volgens mij bij wet beperkt moet blijven tot studentenhuizen. De aardappels waren hard, de broccoli (de ambtenaar onder de groenten) had het stadium van beetgaar niet bereikt en de vis was veranderd in een deprimerende verzameling snotterige brokjes die tussen de aardappels en de broccoli lag te wachten op iemand die het aandurfde.
Omdat er naar goede Britse traditie zout, peper noch kruiden waren toegevoegd, laat staan knoflook, had het gerecht een staat van niet-smaak bereikt die bijna interessant was. De heren aan tafel raakten, misschien omdat het eten zo non-existent was, verzeild in een pissing contest over de vraag wie op de beste kostschool had gezeten en ik, eregast aan het hoofd van de tafel, merkte dat mijn gedachten wild heen en weer sprongen tussen moord- en zelfmoordfantasieën.
Tegen zo'n catastrofale botsing van factoren is geen diner opgewassen en ik vertrok dan ook voortijdig, plotseling opkomende hoofdpijn veinzend. In de duistere krochten van Soho schoot ik een currytent in waar de lokale misdaad haar jaarvergadering hield en bestelde een medium hot curry met een grote bier. Het zal het contrast met het mislukte diner zijn geweest, maar het was met afstand de lekkerste curry die ik ooit at. Misschien vooral omdat mijn gedachten bij het gezelschap waren dat nog steeds aan tafel zat met die vis-broccoli-aardappel-hutspot en hun gezeik over de beste school.
Charles Dickens had gelijk toen hij ooit iemand inhuurde om in de decemberkou huiverend en luid weeklagend heen en weer te lopen, terwijl de familie Dickens bij een laaiend vuur aan het kerstdiner zat.