In het Kralingse Bos kijk ik al maanden verlangend naar de paddenstoelen die overal staan te lonken, soms in de vorm van prachtige afdakjes tegen een boomstam. Ik durf ze alleen niet te plukken voor een gerecht, want je zult zien dat ik dan net die ene giftige te pakken heb. Edwin Florès is wildplukker en paddenstoelenjager van beroep.
Edwin schreef Het Grote Wildplukboek en Het Paddenstoelenboek en komt bijna dagelijks met zijn natte modderschoenen bij Ron Blaauw over de restaurantvloer. Ik ga een middagje wild meeplukken in het Arnhemse stadspark met een groepje Florèsfans en twee vriendinnen, gewapend met een rieten mandje en kaplaarzen. Het miezert, het bos glimt van de regen en we hebben er zin in.
Jaarlijks veertig paddenstoelvergiftigingen
Edwin steekt direct lekker van wal onder een druipende kastanjeboom: 'Gemiddeld sterven er veertig mensen per jaar een ellendige dood door paddenstoelenvergiftiging. Alle functies vallen langzaam uit en een levertransplantatie helpt alleen als je binnen maximaal twee weken weet dat je een vergiftiging hebt. Anders ga je een afschuwelijke dood tegemoet.' De toon is gezet.
Eerst gaan we op zoek naar de eetbare amethiszwam, een mooi paars paddenstoeltje van de lamellenfamilie. Deze mogen in de mandjes. Lamelpaddenstoelen – even omkeren en onder de hoed kijken, de lamellen lijken op openstaande luxaflex – zijn de grootste groep en worden veel gegeten. Edwin wijst ons op smakelijke geschubte bundelzwammen en graaft een Hollandse truffel op. We kijken naar lekkere boleten, te herkennen aan de buisjesstructuur onder de hoed. Zijn de buisjes roodachtig, dan afblijven anders zit je eindeloos op het kleinste kamertje 'totdat je een rood sterretje hebt', weet Edwin het plastisch te omschrijven. ??
Bepaalde oneetbare zwammen hebben soms andere nuttige eigenschappen. De tondelzwam – ook wel tonderzwam – leeft op halfdode bomen en werd vroeger gedroogd en vermalen tot tondelpoeder om vuur mee te maken. In de tondeldoos , wie kent 'm niet, zaten vuurstenen en dit ontvlambare poeder. Plukkend en verzamelend lopen we door het bos en net als we beginnen te dromen van hert met paddenstoel snijdt Edwin een mooi wit bolrond exemplaar af. Eenmaal doorgesneden is de zwam pikzwart van binnen. 'Zo donker als je resterende dagen eruit zullen zien bij consumptie.'
We kijken nog eens angstig in ons mandje.
Uit het duivelsei komt een stinkzwam. Dat is 'm
De paddenstoelkundige staat stil bij een grote witte stinkzwam. 'Daar hebben we 'm, de bospik.' Hij vertelt dat de zwam in de periode mei tot november uit een soort vuistgroot ei tevoorschijn komt, in de volksmond het duivelsei genoemd. In een paar uur groeit de stinkzwam zo'n twintig centimeter de hoogte in. De hoed stinkt naar aas en trekt daardoor insecten aan die het zaad – de sporen – verspreiden. De steel is hol en poreus en blijkbaar een delicatesse in de keuken van sommige chefs. We knikken geïnteresseerd, maar houden het toch maar bij onze amethistzwammetjes.
Edwin Florès verzekert ons dat zijn Paddenstoelenboek 'fool proof' is en dat zelfs de grootste sufferds de goede, eetbare paddenstoelen via de foto's en beschrijvingen zullen herkennen. 'Paddenstoelen die ook maar een beetje lijken op giftige exemplaren staan er gewoon niet in, ook jullie kunnen gerust verzamelen met dit boek in de hand.'
Op één hoop gegooid met de grootste sufferds, voelen we ons een beetje op de bospik getrapt, maar toch liever dat dan een lange ellendige dood door foute paddenstoelen.
Op naar het Kralingse Bos.